Project Advocaat voor de Klas

Dit keer geen juridisch inhoudelijke column zoals u van ons gewend bent, maar een belevenis die wij graag met u willen delen .
Op 7 december 2018 was het dan zover, Maaike Wetting en Lorien de Roode hebben een school in Leiderdorp bezocht voor het project “Advocaat voor de klas”. Dit is een project dat vanuit onze beroepsvereniging, de Orde van Advocaten, wordt aangeboden. Lorien had ons kantoor hiervoor opgegeven en verschillende scholen in Leiderdorp aangeschreven. Een jurist van de Junior Jurist Academie kwam les geven aan twee groepen acht en wij als advocaten waren hierbij als specialist, souffleur en natuurlijk een leuke vraagbaak voor de kinderen. De Junior Jurist Academie leert kinderen over recht en wet in Nederland aan de hand van een leuke workshop, een educatief tijdschrift, en een oefenrechtbank.

Op die vrijdagmiddag waren de kinderen gedurende twee uur bezig met het recht. Het besef dat recht overal om je heen is vanaf het moment dat je opstaat, was een eye opener voor de kinderen. Er kwamen hele slimme vragen en creatieve oplossingen vanuit de klas. Het opzoeken op internet van noodweer, noodweerexces en mishandeling was snel gepiept door de kinderen. Het is ontzettend leuk om te merken dat kinderen erg nieuwsgierig zijn en veel vragen hebben. De eenvoud en het doorvragen zetten mij weer aan het denken. (Wat is onze “grote mensen wereld” soms ingewikkeld!!) En er werd uiteraard kritisch gekeken naar het toneelstukje dat door ons en de jurist werd opgevoerd. “Is ze nu echt boos op hem?” “Gaat hij zijn zoon nu echt zo lang huisarrest geven?”

Door het drukke lesprogramma was er helaas niet veel tijd meer voor alle vragen aan ons, maar dat zullen we nog inhalen als we de oefenrechtbank gaan uitrollen. Dat zal begin januari volgend jaar zijn. Ondertussen gaan de kinderen in de klas aan de slag met een tijdschrift over het recht waarin allerlei vragen en opdrachten zijn verwerkt. Vervolgens krijgen zij een casuspositie welke zij gaan voorbereiden. Elke casus heeft verschillende actoren zoals de verdachte, de rechter, de officier van justitie, de getuige enzovoort. Er zullen teams gemaakt worden en de casus zal worden voorbereid. Wij zullen de verschillende spelers gaan begeleiden tijdens de oefenrechtbank. Misschien wel in een echte rechtbank! Uiteraard zal onze werkkleding, de toga, niet ontbreken voor de rechters, advocaten en officieren van justitie!

Tot nu toe hebben wij met veel plezier meegewerkt aan dit project. Wij zijn erg benieuwd hoe de kinderen de casus voor de oefenrechtbank zullen doen en kijken hiernaar uit.
Zo ziet u dat wij naast hard werken ook tijd maken om ons in te zetten voor uitdagende en maatschappelijke projecten. Dit maakt ons werk erg leuk en dynamisch.
Wij wensen u fijne dagen en een goed 2019 waarin bestaande conflicten zullen worden opgelost en nieuwe conflicten zoveel mogelijk worden voorkomen.


Wetgeving zzp-er wat staat er straks te wachten?

De handhaving van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) is opgeschort tot 1 januari 2020 met uitzondering van de kwaadwillenden. Dat betekent dat er met name steekproefsgewijs wordt nagegaan in hoeverre opdrachtgevers en opdrachtnemers zich aan deze wetgeving houden en daadwerkelijke boeteoplegging niet aan de orde zal zijn. Het blijkt dat deze Wet DBA toch niet de beoogde duidelijkheid en zekerheid biedt die men voor ogen had toen de zogenoemde VAR verklaring werd afgeschaft. Wat gaan we dan de komende periode wel aan duidelijkheid zien voor de opdrachtgevers en opdrachtnemers die graag op zo goed mogelijke wijze zaken willen doen?

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid informeerde het kabinet een aantal weken geleden over de stand van zaken aangaande nieuwe maatregelen. Zo zal per 1 januari 2019 het criterium ‘gezag’ uit het arbeidsrecht worden verduidelijkt. Gezag is één van de belangrijkste criteria om te kunnen vaststellen of er al dan niet een dienstverband bestaat. Deze verduidelijking zal worden toegevoegd aan het handboek Loonheffingen van de Belastingdienst. Aan de hand van indicaties en voorbeelden, waarin gezag aan de orde is en contra-indicaties voor gezag zal worden getracht de nodige handvatten voor de opdrachtgevers en -nemers te verzorgen, zodat deze partijen zelf kunnen beoordelen of er sprake is van een gezagsverhouding. De nadruk daarbij ligt onder meer op de ondernemersvrijheid van de opdrachtnemer. In hoeverre is de opdrachtnemer in staat om zelf het werk in te delen, zijn werktijden te bepalen, het eigen werkmateriaal te gebruiken? Maar ook de duur van de opdracht en de (hoogte van de) beloning van de opdrachtnemer zullen een indicatie zijn voor het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding. De tekst van de beoordeling gezagsverhouding is inmiddels beschikbaar op de website van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Daarnaast wordt het komende jaar gewerkt aan een webmodule voor de zogenoemde opdrachtgeversverklaring. Opdrachtgevers zullen binnen deze module diverse vragen moeten beantwoorden over de opdracht(en) die zij aan een opdrachtnemer willen verstrekken. Als op basis van deze vragen de conclusie kan worden getrokken dat er geen sprake is van een arbeidsrelatie, zal de webmodule een opdrachtgeversverklaring afgeven. Daarmee krijgt de opdrachtgever vooraf zekerheid van vrijwaring van loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. Uiteindelijk is het daarvoor wel van belang dat opdrachtgever en opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht zullen werken conform de door de opdrachtgever ingevulde vragen. De verwachting is dat deze webmodule eind 2019 gereed zal zijn.

Ten slotte is er ook aandacht voor de zelfstandigen die tegen lage tarieven en langdurige opdrachten voor een opdrachtgever werkzaam zijn en de zelfstandigen die aan de bovenkant van de markt werkzaam zijn. De eerste groep zelfstandigen waarbij op regelmatige basis sprake is van schijnzelfstandigheid wenst het kabinet meer te beschermen. De criteria voor de afbakening zijn vooralsnog een laag tarief (€ 15 - € 18,- per uur) in combinatie met een lange duur van de opdracht of in combinatie met werkzaamheden die binnen het bedrijf als reguliere bedrijfsactiviteiten worden beschouwd. Voor deze groep zal, wanneer aan voornoemde criteria is voldaan, sprake zijn van een arbeidsovereenkomst bij laag tarief (ALT) met alle arbeidsrechtelijke bescherming van dien.

Voor de bovenkant van de markt beoogt men meer zekerheid te geven voor het zelfstandig ondernemerschap waarvoor bewust is gekozen. Opdrachtnemers kunnen daarom – samen met de opdrachtgever – kiezen voor een opt-out regeling. De tariefgrens hiervoor ligt thans op € 75,- per uur voor een opdracht die korter duurt dan een jaar of niet de reguliere bedrijfsactiviteiten van de opdrachtgever betreft. Opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen vervolgens verklaren dat zij ervoor kiezen dat de opdrachtnemer niet als verzekerde voor de werknemersverzekeringen wordt beschouwd. De opdrachtgever is als gevolg daarvan gevrijwaard van de inhouding en afdracht van loonheffing en de betaling van premies voor de werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. Blijkt tijdens de fiscale controle dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor deze opt-out dan zal met terugwerkende kracht alsnog een naheffing van voornoemde afdrachten en betalingen plaatsvinden.

Voor beide regelingen heeft de minister aangegeven te verwachten dat de betreffende wetgeving per 1 januari 2021 in werking kan treden. Voorafgegaan door een internetconsultatie in de eerste helft van 2019. Tot die tijd zal de verduidelijking van het gezagscriterium tot meer (voorlopige) zekerheid moeten bieden.


Twee jaar arbeidsongeschikt en dan…?

In een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd geoordeeld dat de werkgever de werknemer terecht voor ontslag had voorgedragen nu de werknemer langer dan twee jaar ziek was en er geen mogelijkheden meer waren om de werknemer te herplaatsen. De werkgever moest de werknemer wel een transitievergoeding betalen, maar niet alleen over de maanden dat de werkgever ook daadwerkelijk een loondoorbetalings-verplichting had. Wat wordt hiermee bedoeld?

Allereerst is belangrijk dat werkgever en werknemer gedurende de periode dat de werknemer arbeidsongeschikt is, allebei meewerken aan de re-integratie van de werknemer. Van beide kanten worden inspanningen verwacht. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat de werkgever een geheel nieuwe werkplek voor de werknemer moet creëren of dat de werknemer aangepast werk moet accepteren. Op enig moment kan het aangepaste werk van de werknemer, zijn nieuwe werk worden. Dat hangt van verschillende factoren af.
Als het ondanks de inspanningen van de werknemer en de werkgever zo is dat, na twee jaar arbeidsongeschiktheid, de werknemer niet meer (volledig) kan terugkeren op de werkvloer en de werknemer de WIA instroomt, hoeft de werkgever het (ziekte)loon van de werknemer niet meer door te betalen. Het dienstverband van de werknemer loopt evenwel door en eindigt niet automatisch omdat de werknemer een uitkering ontvangt. Als de werkgever het dienstverband wil beëindigen, heeft hij daarvoor verschillende mogelijkheden. De werkgever kan het UWV om toestemming verzoeken de arbeidsovereenkomst van de werknemer te beëindigen. De werkgever kan ook samen met de werknemer een overeenkomst opstellen waarin ze afspraken maken over het ontslag met wederzijds goedvinden. Ten slotte kan de werknemer instemmen met het ontslag.

Als de werkgever via UWV een ontslagvergunning krijgt, is de werkgever ook verplicht de werknemer een transitievergoeding te betalen. In de andere gevallen zal de werknemer vaak niet instemmen met ontslag zonder dat hem een transitievergoeding wordt aangeboden. De transitievergoeding is gebaseerd op het aantal dienstjaren en het bruto maandsalaris van de werknemer. In de uitspraak van het Gerechtshof ging de werkgever er vanuit dat het stoppen van de loondoorbetalingsverplichting, omdat de werknemer langer dan twee jaar ziek was, ook ertoe leidde dat over die maanden geen transitievergoeding meer verschuldigd was. Daar ging het Gerechtshof niet in mee. Tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst moet de transitievergoeding worden berekend.

Overigens kan een werkgever voor deze transitievergoeding, onder bepaalde voorwaarden, een compensatie bij UWV vragen. Dit zal mogelijk zijn vanaf 1 april 2020 en geldt ook voor eerder betaalde transitievergoedingen (vanaf 1 juli 2015) vanwege het ontslag van een werknemer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.


De second opinion bij arbeidsongeschiktheid

Als een werknemer zich ziek meldt, zal hij/zij worden opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts. Tijdens dit spreekuur beoordeelt de bedrijfsarts of de werknemer ziek is en wat de werknemer voor werkzaamheden nog zou kunnen doen. Ook wordt bekeken hoe de werknemer weer zou kunnen re-integreren. Het kan zijn dat de werknemer het niet eens is met het advies van de bedrijfsarts. Afhankelijk van waar de werknemer het niet mee eens is, kan de werknemer een second opinion aanvragen of een deskundigenoordeel bij het UWV. Wanneer is de second opinion nu aan de orde en wanneer het deskundigenoordeel?

Sinds 1 juli 2018 is de Arbeidsomstandighedenwet gewijzigd. Een van de belangrijkste wijzigingen is dat de werkgever de werknemer de gelegenheid moet bieden om een second opinion aan te vragen bij een andere bedrijfsarts wanneer de werknemer twijfelt aan de juistheid van het door de bedrijfsarts gegeven advies. De werkgever betaalt deze second opinion, maar de bedrijfsarts is degene die het verzoek al dan niet honoreert. De bedoeling is dat de second opinion ziet op twijfels bij het advies van de bedrijfsarts over gezondheidskundige vraagstukken. Het doel is om in een vroegtijdig stadium van verzuim al te kunnen ondersteunen en begeleiden. Denk daarbij aan het advies over welke werkzaamheden de werknemer tijdens zijn ziekte nog kan doen. Of wanneer er discussie bestaat of de werknemer aan een beroepsziekte lijdt.

Het deskundigenoordeel bij het UWV is bedoeld voor:
- Wanneer er sprake is van een conflict tussen werkgever en werknemer en de werknemer daardoor ziek is geworden;
- Werkgever en werknemer het er niet over eens zijn of de werknemer wel of niet ziek is;
- De vraag/twijfel van de werknemer ziet op de re-integratie van de werknemer.

De second opinion bedrijfsarts moet werkzaam zijn bij een ander bedrijf of een andere arbodienst. Overigens schort een dergelijke second opinion de ingezette weg bij de eerste bedrijfsarts niet op. De eerste bedrijfsarts blijft ook degene die de werknemer en werkgever adviezen blijft geven en kan het advies van de second opinion bedrijfsarts al dan niet (gedeeltelijk) overnemen. Als de werknemer daar goede argumenten voor heeft, kan hij/zij de eerste bedrijfsarts verzoeken om de begeleiding over te dragen aan de second opinion bedrijfsarts. Mocht de eerste bedrijfsarts het verzoek om een second opinion van de werknemer weigeren, dan kan de werknemer een klacht indienen bij de arbodienst of de bedrijfsarts.

Ten slotte moeten alle werkgevers vanaf 1 juli een zogenoemd basiscontract hebben met een arbodienst of bedrijfsarts. Dit kan met zowel een externe arbodienst zijn als een bedrijfsarts in dienst. Bestaande contracten met arbodiensten moeten daarom per 1 juli a.s. zijn aangepast aan de nieuwe voorwaarden uit de Arbeidsomstandighedenwet.


Opzettelijk verborgen houden goederen bij echtscheiding

Bij een echtscheiding dien je volgens de wet alles op te geven dat verdeeld dient te worden. Houd je bijvoorbeeld achter dat je nog een vakantiehuis elders hebt dan kan indien de andere ex-echtgenoot hier achter komt het gehele vakantiehuis aan die andere echtgenoot worden toegedeeld ook op een later moment.

Volgens de wet mag een echtgenoot bij een echtscheiding geen goederen opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden. Het gaat dan om handelen of nalaten met het doel de andere partij bewust te benadelen.
Omdat op dit handelen of nalaten de sanctie staat dat het goed dan volledig aan de andere partij toekomt (in plaats van bij helfte) worden er zware eisen gesteld aan het bewijs van opzet. Deze sanctie is redelijk uitzonderlijk in het burgerlijke recht omdat het een strafkarakter heeft. De andere partij moet wel weten dat het goed bij echtscheiding verdeeld moet worden. Aantonen dat er sprake is van opzet is een lastige opgave. Het enkele feit dat een echtgenoot niet wist maar wel behoorde te weten dat dat goed tot de echtscheiding behoorde maakt niet dat er opzet aanwezig is.

Op 12 april 2018 heeft het gerechtshof Den Bosch een uitspraak gedaan waarin wel is aangenomen dat er opzet aanwezig was en is de sanctie toegepast. De vrouw heeft in deze zaak het in contanten opgenomen bedrag achtergehouden om het bedrag bewust buiten de verdeling van de echtscheiding te houden.

De vrouw had tot een jaar voor de echtscheiding grote geldbedragen opgenomen van de spaarrekening. De vrouw heeft ook erkend dat zij meer geld heeft opgenomen dan normaal. Zij gaf hiervoor als verklaring dat het verdriet van een slecht huwelijk dat zijn einde nadert werd gecompenseerd met leuke uitstapjes en genieten. Zij heeft in korte tijd € 36.200,- (!) aan contanten opgenomen. Het is onmogelijk dat de vrouw al dit geld heeft uitgegeven. De man is er verder achter gekomen dat de vrouw vervolgens een kluisje is gaan huren bij de bank. De vrouw heeft dit erkend maar kon geen goede reden geven voor de huur van het kluisje. De vrouw heeft niet kunnen aantonen dat zij de opgenomen bedragen daadwerkelijk heeft uitgegeven zodat het hof heeft geconcludeerd dat dit geldbedrag nog aanwezig moet zijn. De vrouw dient het volledige bedrag van € 36.200,- aan de man te voldoen.

Dat er opzet wordt aangenomen en bovengenoemde sanctie wordt opgelegd is vrij uniek. Vaak gaat het om een “vergeten” goed en dient deze alsnog bij helfte te worden verdeeld en is deze niet in zijn geheel voor de andere ex-echtgenoot.
Mijn advies: neem geen risico en geef alles op wat er bij een echtscheiding aanwezig is. Doe bij twijfel navraag!


Toestemming voor verhuizing

Indien beide ouders gezag hebben over een kind dienen er veel zaken in overleg en met toestemming van beide ouders plaats te vinden omtrent het kind. Dit betreft bijvoorbeeld een vakantie in het buitenland, een medische ingreep, een schoolkeuze maar ook een verhuizing met het kind is een gezagskwestie. Deze toestemming van beide ouders voor een verhuizing van 1 ouder met het kind is verplicht. De verhuizing kan immers grote gevolgen hebben voor de contactregeling van het kind met de andere ouder.

Wanneer een ouder naar een ander deel in Nederland of naar het buitenland wilt verhuizen met het kind heeft dit vaak grote gevolgen voor de contactregeling met de andere ouder. Vaak is er een ouderschapsplan waarin de zorgregeling en afspraken over het kind overeen zijn gekomen. Deze afspraken moeten dan worden gewijzigd zeker als ouders gelijke zorg hebben over het kind. Meestal houdt dit in dat de andere ouder wordt beperkt in het contact met zijn kind. Deze ouder zal dus logischerwijs niet akkoord gaan met de verhuizing. In dit soort gevallen kan je vervangende toestemming vragen aan de rechtbank voor verhuizing met het kind.

De rechter zal bij de beoordeling van deze vervangende toestemming alle belangen van ouders en kind afwegen. Ondanks dat elk geval uniek is zijn er wel algemene factoren door de Hoge Raad (hoogste rechtsorgaan) opgesteld die in zo’n belangen afweging een rol spelen. Ik zal deze hieronder kort bespreken.

Van belang is of de verhuizing noodzakelijk is en de mate waarin deze verhuizing is doordacht en voorbereid. Ook de invloed op de verdeling van de zorgtaken en continuïteit van de zorg en in welke mate de ouders tot onderlinge communicatie en overleg in staat zijn speelt een rol.

De verhuizende ouder heeft recht en belang om te verhuizen en dient de vrijheid te hebben om zijn of haar leven opnieuw in te richten. Daartegen over staat het recht dat de andere ouder en het kind hebben op onverminderd contact met elkaar en hun vertrouwde omgeving. Zijn er alternatieven geboden om maatregelen van de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen te verzachten/compenseren? De leeftijd van de kinderen en hun mening maar ook de mate waarin zij geworteld zijn in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen is van belang. Tot slot wordt gekeken naar de extra kosten dan wel financiële consequenties van de omgang na verhuizing.

Beweegredenen van een ouder om te verhuizen zijn bijvoorbeeld werk, een nieuwe partner, teruggaan naar land van herkomst. Het gebeurt helaas ook dat de verhuizing al heeft plaatsgevonden en achteraf door de rechter de belangen moeten worden afgewogen. De ouder die deze verhuizing zonder toestemming van de andere ouder heeft doorgezet loopt het risico dat hij/zij weer terug moet verhuizen met alle consequenties van dien. Deze verhuisgeschillen hebben grote invloed op de verhoudingen tussen ouders wat weer hun weerslag heeft op het kind. In goed onderling overleg een verhuiskwestie regelen is voor alle partijen het beste.


Noot bij uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, kinderalimentatie, afwijken wettelijke maatstaven, overeenkomst.

Partijen zijn in een overeenkomst betreffende levensonderhoud bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Art. 1:401 lid 5 BW biedt dan geen uitkomst. De rechter zal voor een wijziging art. 1:159 lid 3 BW naar analogie toepassen. Uitleg en bedoeling van een overeenkomst is van belang. Een gewone wijziging op basis van art. 1:401 lid 1 BW biedt uiteindelijk uitkomst.

Jurisprudentie in Nederland (JIN) juni 2018, aflevering 5, 92


Terugbetaling kinderalimentatie

Indien een rechter oordeelt dat er teveel kinderalimentatie is betaald kan dit leiden tot terugbetaling van kinderalimentatie. Het verzoek tot terugbetaling van kinderalimentatie wordt niet vaak toegewezen omdat er vanuit wordt gegaan dat de kinderalimentatie al is geconsumeerd en ten goede is gekomen aan de kinderen.
Rechters maken terughoudend gebruik van een beslissing waarin kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt herzien. Hierdoor kan er namelijk terugbetaling aan de orde zijn wat grote gevolge kan hebben voor de alimentatieontvanger. Er wordt beoordeeld of terugbetaling in redelijkheid van de alimentatieontvanger verlangd kan worden. Indien de alimentatieontvanger hele lage inkomsten heeft wordt terugbetaling meestal niet toegewezen. Dit was anders in een opmerkelijke beschikking van het Gerechtshof Den Bosch van 18 januari 2018.

Zowel de man als de vrouw hebben een uitkering volgens de participatiewet. Als je op uitkeringsniveau leeft is er geen draagkracht voor betaling van kinderalimentatie. De man diende volgens de beschikking van de rechtbank in dit geval toch kinderalimentatie te betalen aan de vrouw voor hun twee kinderen. De vrouw heeft vervolgens via het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO) beslag laten leggen op de uitkering van de man en er werden al gelden geïnd. (Het LBIO is een deurwaarder maar dan specifiek voor onderhoudsbijdragen). De man heeft beroep ingesteld tegen deze beschikking van de rechtbank bij het gerechtshof Den Bosch.

Omdat de vrouw een uitkering ontvangt wordt de door de vrouw ontvangen kinderalimentatie in mindering gebracht op haar uitkering. Hierdoor is deze kinderalimentatie niet (extra) aan de kinderen ten goede gekomen. Indien de vrouw kinderalimentatie moet terugbetalen betekent dit dat zij over die periode een te lage uitkering heeft ontvangen. De gemeente dient over te gaan tot aanvulling van de uitkering van de vrouw.
Bij de man is de kinderalimentatie in mindering gebracht op zijn uitkering terwijl hij hiervoor geen draagkracht had en heeft.
Het hof heeft geoordeeld dat de teveel betaalde kinderalimentatie door de vrouw moet worden terugbetaald aan de man.

De rechtbank had in deze überhaupt niet mogen overgaan tot het opleggen van kinderalimentatie aan de man aangezien hij een uitkering ontving en nog steeds ontvangt. In die zin is het terecht dat de betaalde kinderalimentatie terug moet worden betaald aan de man. De man kon hier immers niet voor gecompenseerd worden en leefde hierdoor onder het bestaansminimum.

De vrouw daarentegen kan de gemeente verzoeken om aanvulling van haar uitkering over deze periode en kan dus wel compensatie krijgen. Het is dus heen en weer schuiven van gemeenschapsgelden. Zolang deze (foutieve)beschikking van de rechtbank bestaat houdt de gemeente het vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie in op de uitkering van de vrouw, ook indien de man dit niet vrijwillig betaald aan de vrouw. De vrouw werd dus gedwongen om via het LBIO de kinderalimentatie te innen waardoor de man werd gedwongen in beroep te gaan. Een rare situatie als je het mij vraagt!


Een gezinsadvocaat

Al jaren bestaat de maatschappelijke behoefte om het aantal vechtscheidingen terug te dringen. Een kerngroep van professionals geeft hier gehoor aan en heeft een “nieuwe echtscheidingsexpert” in het leven geroepen; “de gezinsadvocaat”. Het idee van gezinsadvocaat sluit aan bij een internationale trend om echtscheidingen op een alternatieve manier te benaderen. De kerngroep is nog druk bezig met de uitwerking van de rol van de gezinsadvocaat. Graag vertel ik u alvast wat de grote lijnen zijn. De gezinsadvocaat zou rekening moeten houden met het welzijn, de belangen en de wensen van de kinderen en beide ouders. De stem van het kind krijgt door de gezinsadvocaat een vaste plek in het scheidingsproces. De gezinsadvocaat neemt de regie in een scheiding en opereert als het ware als casemanager die de scheidende ouders begeleidt.

De gezinsadvocaat zou kunnen fungeren als mediator bij de juridische afwikkeling van de scheiding of verwijst hiervoor door naar een mediator. Op dit moment komt immers de meerderheid van scheidingen tot stand door middel van mediation.
De gezinsadvocaat werkt verder nauw samen met hulpverleners. Juist omdat de advocaat aan het begin van het scheidingsproces is betrokken dient hij/zij op te treden als verbinder tussen andere professionals. Nu zie je vaak dat de hulpverleners los van elkaar werken. De gezinsadvocaat dient het totaaloverzicht te behouden. Door als professionals samen te werken maak je en veilig vangnet voor de ouders en kinderen.

Bij een blijvend conflict zou de gezinsadvocaat dit conflict kunnen voorleggen aan een rechter die dan de knoop doorhakt. Bij juridisch complexe conflicten zou de gezinsadvocaat twee advocaten kunnen betrekken in de zaak. De gezinsadvocaat blijft erop toe zien dat in deze situatie partijen elkaar niet gaan bevechten maar een constructieve houding hebben. Ook kan er een bijzondere curator voor de minderjarige worden genoemd.

Kenmerkend en opvallend is dat de gezinsadvocaat niet gaat voor het belang van 1 cliënt maar meervoudig partijdig is en oplossingsgericht te werk gaat in plaats van te strijden.
Echter in de gedragsregels van de advocatuur is vermeld dat advocaten niet de belangen van twee om meerdere partijen mogen behartigen in geval er sprake is van tegenstrijdige belangen. Deze gedragsregels zouden dan genuanceerd dienen te worden voor de gezinsadvocaat. Maar ook de huidige familierechtadvocaat kan geen ouderwetse partijdige advocaat meer zijn. Als familierecht advocaat kan je niet over de hoofden van de kinderen een gevecht tussen ouders in stand laten. Je dient ook oog te hebben voor de andere partij. Je kunt partijdig zijn zonder tegen iemand te zijn. Het gaat om het belang van het gezin. Wellicht dat de gezinsadvocaat wat kan betekenen voor de vechtende ex-echtgenoten en de kinderen.


Trouwen na 1 januari 2018

In het nieuws op televisie is het ook al voorbij gekomen: er verandert iets als je trouwt na 1 januari 2018. Je trouwt niet meer automatisch in een algehele gemeenschap van goederen waarbij alles gedeeld dient te worden bij een echtscheiding. Er zal per 1 januari 2018 een “beperkte gemeenschap” gelden. Maar wat verandert er nu precies?

In maart 2017 is met een stem verschil het wetsvoorstel “beperking wettelijke gemeenschap van goederen” met een meerderheid in de eerste Kamer aangenomen. Vanaf 1900 zijn er verschillende initiatieven geweest om de reikwijdte van de gemeenschap van goederen in te perken. Die pogingen strandden keer op keer.
De oude wet die dateert uit 1838 wordt hiermee vervangen. Per 1 januari 2018 is de wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen van kracht.

Bijna 180 jaar lang was het zo dat als je trouwde alle schulden en bezittingen bij een scheiding 50/50 worden verdeeld. Schenkingen en erfenissen worden ook verdeeld tenzij er een uitsluitingsclausule was opgenomen.
Met de wetswijziging blijft het privévermogen dat voor het huwelijk is opgebouwd in het bezit van degene die dit bezit heeft opgebouwd en valt niet in de gemeenschap. Voorhuwelijkse schulden vallen ook buiten de gemeenschappelijke boedel. Net zoals erfenissen en schenkingen die de partners tijdens het huwelijk krijgen. Alleen vermogen dat partners gezamenlijk hebben opgebouwd, wordt na de echtscheiding gedeeld.
Met deze verandering sluit Nederland aan bij de internationale norm. Alleen Suriname en Zuid-Afrika hanteren nu nog zo’n uitgebreide uitleg van trouwen in gemeenschap van goederen.
Deze wijziging geldt alleen voor huwelijken die na 1 januari 2018 worden gesloten. De huwelijken gesloten voor 1 januari 2018 vallen niet onder deze wet maar nog onder de oude wet. Uiteraard blijft het mogelijk dat echtgenoten samen iets anders vastleggen in huwelijkse voorwaarden.
Er is veel kritiek op de nieuwe wet en er zijn veel vragen over hoe dit in praktijk zal gaan uitpakken bij echtscheidingen. Hoe wordt bijvoorbeeld omgegaan met schulden en bezittingen die voor het huwelijk zijn verworven en tijdens het huwelijk zijn vermengd of afgelost met gemeenschappelijk bezit? Hoe wordt omgegaan met een schenking of erfenis die is aangewend voor een verre reis voor het gezin? Een ding is zeker: de nieuwe wet zal de verdeling bij echtscheiding niet makkelijker maken.