Misbruik DigiD gegevens

Een DigiD is de afkorting van digitale identiteit. Nederlandse overheden kunnen hiermee op internet iemand zijn identiteit verifiëren. Zo weten overheidsinstellingen dat ze echt met u te maken hebben. Helaas ligt misbruik op de loer bijvoorbeeld door ex-partners.
Sinds 15 juli 2013 is het mogelijk dat ouders gezamenlijk gezag digitaal aanvragen met hun DigiD. Dit was ook het geval bij een vrouw die een relatie had gehad met een man. Uit hun relatie was een kind geboren in 2002. De man had enkel zijn kind erkend en had geen ouderlijk gezag over het kind. Het ouderlijk gezag rustte alleen bij de vrouw. Alleen als ouders gehuwd of geregistreerd partner zijn hebben zij automatisch gezamenlijk gezag over hun kinderen. Anders dienen ouders dit zelf te verzoeken en te laten registreren in het gezag register. Dit hadden partijen niet gedaan.

De vrouw kwam er na haar verbreking van de relatie bij toeval achter (planning van een verhuizing naar Duitsland) dat in het gezag register digitaal was aangetekend dat partijen vanaf die datum opeens gezamenlijk waren belast met het gezag over hun kind. De vrouw is direct een rechtszaak gestart en heeft aangifte gedaan bij de politie.

In beginsel geldt dat moet worden aangenomen dat het verzoek tot gezamenlijk gezag in het gezag register door partijen gezamenlijk is gedaan. De aanvraag is immers gedaan met een gewaarborgde DigiD van beide ouders. Het is dus aan de vrouw om te bewijzen dat de andere ouder misbruik heeft gemaakt van haar DigiD en daarmee het gezamenlijke gezag heeft aangevraagd zonder haar toestemming. Dit is een lastige opgave.

In deze procedure heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de vrouw aan haar zogenaamde bewijsplicht heeft voldaan. De man had immers beschikking over haar inloggegevens omdat hij de administratie voor haar deed, de vrouw beheerste de Nederlandse taal onvoldoende en het is niet aannemelijk dat de vrouw deze administratieve handelingen zelf heeft verricht. Daarbij heeft de man tegenstrijdige verklaringen afgelegd en is daarmee ongeloofwaardig bevonden. Dat de aangifte tegen de man nog niet tot een strafrechtelijke vervolging heef geleid is niet van belang. Het gerechtshof heeft net als de rechtbank in eerste aanleg geoordeeld dat de aantekening in het gezag register zal worden doorgehaald zodat de vrouw weer met het eenhoofdig gezag is belast over hun kind.
Om niet voor verrassingen te komen staan adviseer ik u om na verbreking van een relatie uw DigiD wachtwoord te wijzigen. Je weet maar nooit!


Gesubsidieerde rechtsbijstand

Het valt mij altijd op dat wanneer ik vertel dat ik advocaat ben dat mensen je gelijk anders gaan aankijken. Ze denken direct dat je dan heel veel geld verdiend en kijken vaak tegen je op. Ik vind dit erg vervelend omdat dit beeld niet juist is. Ons kantoor treedt namelijk ook regelmatig als zogenoemde gesubsidieerde advocaat op. Wij helpen ook mensen met minder inkomen en behoren hierdoor ook tot de zogenaamde sociale advocaten.

In Nederland heeft iedereen recht op toegang tot de rechter. Dit is gewaarborgd door het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. De advocaat verricht dan zijn werkzaamheden voor één vast bedrag welke wordt betaald door de Raad voor Rechtsbijstand en niet door de cliënt zelf. De cliënt betaalt enkel eenmalig een vaste eigen bijdrage voor de gehele procedure aan de advocaat.

Of cliënten in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand wordt beoordeeld door de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad voor Rechtsbijstand beoordeelt op basis van het inkomen en vermogen of een cliënt recht heeft op een zogenoemde toevoeging. Als alleenstaande kom je hiervoor in aanmerking tot een maximaal bruto jaarloon van € 27.300,- en als alleenstaande ouder, samenwoner en gehuwd stel is de grens vastgesteld op € 38.600,- bruto per jaar. Hierbij wordt er gekeken naar het inkomen van twee jaar terug aangezien hiervan de gegevens bekend zijn bij de Belastingdienst. Daarnaast wordt het vermogen meegewogen. De eigen bijdrage is afhankelijk van de hoogte van het inkomen.

Voor elke specifieke zaak wordt er een bepaald aantal punten toegekend. Elke punt staat voor een uur aan werkzaamheden. Voor iedere echtscheiding worden er bijvoorbeeld 10 punten toegekend wat dus staat voor 10 uur aan werkzaamheden. Voor deze 10 uur dient de advocaat alle werkzaamheden te verrichten die nodig zijn. Er is geen sprake van maatwerk.

Er is al jaren discussie over de vaststelling van het aantal punten per zaak en het uurtarief. Advocaten maken vaak veel meer uren dan wordt uitbetaald. Dit maakt onder andere dat de vergoeding van de werkzaamheden van de advocaat veel lager ligt dan een zaak op uur-basis. Veel advocaten verrichten mede daarom geen werkzaamheden (meer) op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand. Het aantal advocaten dat wel zaken aanneemt op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand neemt echter jaarlijks af door de verdere bezuinigingen op de gesubsidieerde rechtsbijstand. Dit is een zorgelijke ontwikkeling.
Ons kantoor probeert aan iedere cliënt de bijstand te geven waar hij/zij recht op heeft zolang dat haalbaar blijft. Meer weten over dit onderwerp? Neem contact met ons op.


Verkorting termijn partneralimentatie

Er wordt al jaren over gesproken en nu is het dan zover. Per 1 januari 2020 zal de wet herziening partneralimentatie van kracht zijn. Deze wet verkort de standaard wettelijke termijn voor partneralimentatie van twaalf jaar naar vijf jaar. Dat is een behoorlijke verandering en wellicht voor echtgenoten die willen scheiden het wachten waard of juist niet? In deze maandbijdrage zal ik nader ingaan op deze nieuwe wet.

In de nieuwe wet wordt enkel de duur van de partneralimentatie drastisch gewijzigd. De systematiek blijft hetzelfde. Dit heeft alles te maken met het feit dat er al lange tijd geen maatschappelijk draagvlak meer is voor de huidige wettelijke periode van 12 jaar bij huwelijken die langer dan 5 jaar hebben stand gehouden. De grondgedachte van de huidige duur van de partneralimentatie stamt uit 1838, de tijd dat men de vrouw nog ondergeschikt achtte aan de man. In de huidige tijd past een partneralimentatie met zo’n lange duur niet meer. Ex partners blijven lange tijd financieel aan elkaar verbonden en de alimentatiegerechtigde wordt niet gestimuleerd om in zijn of haar eigen levensonderhoud te voorzien. Ook zou deze lange periode van partneralimentatie procedures en vechtscheidingen uitlokken. Deze nieuwe wet zal onderdeel moet gaan uitmaken van een breed emancipatiebeleid aldus de politiek.

Omdat een abrupte verkorting van de duur van de partneralimentatie niet gewenst is zijn er een drietal uitzonderingsgevallen en een hardheidsclausule opgenomen in deze wet. Bij een beroep op de hardheidsclausule kan de rechter bepalen dat beëindiging van de partneralimentatie naar redelijkheid en billijkheid niet wenselijk is. In schrijnende gevallen kan dus de (verkorte) alimentatietermijn alsnog worden verlengd.
In het wetsvoorstel wordt zorgvuldig rekening gehouden met ten eerste de langdurige huwelijken, ten tweede de ex-partners met jonge kinderen en de laatste categorie zijn de alimentatiegerechtigden van 50 jaar of ouder. De maximale alimentatietermijnen kunnen variëren van geval tot geval.

Er is sprake van overgangsrecht wat inhoudt dat lopende alimentatieverplichtingen niet vallen onder de nieuwe wet. Enkel alimentatieverplichtingen die ontstaan op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet vallen onder deze nieuwe wet.
Van belang is dat de huidige 12 jaarstermijn van partneralimentatie ook zonder de nieuwe wet verkort kan worden. Je zult hier wel expliciet om moeten verzoeken bij de rechtbank. Dit betreft de zogeheten limitering van de alimentatie duur. In de praktijk wordt hier naar mijn mening te weinig gebruik van gemaakt. Wachten op de nieuwe wet is daarom niet noodzakelijk.

Wil je meer weten over dit onderwerp of wat dit voor jouw situatie betekent? Stuur een mail via ons contactformulier van onze website www.wettingenderoode.nl of bel ons op 071-203 21 66.


Gevangen in een (religieus) huwelijk

In Nederland trouwen de meeste mensen voor de wet, het zogenaamde burgerlijke huwelijk. Dit is een rechtsgeldig huwelijk en je wordt bij de burgerlijke stand geregistreerd als gehuwd. De rechter kan op eenzijdig of gezamenlijk verzoek de echtscheiding uitspreken van het burgerlijke huwelijk. Het is ook mogelijk om te trouwen naar religieuze wetgeving waardoor we spreken van een religieus huwelijk. Religieuze huwelijken zijn in Nederland echter niet rechtsgeldig en de nederlandse rechter is niet bevoegd om de echtscheiding van het religieuze huwelijk uit te spreken. Maar welke rol kan de Nederlandse rechter wel hebben bij een echtscheiding van een religieus huwelijk?

Kenmerkend bij religieuze huwelijken is dat de vrouw volgens het religieuze recht de medewerking van de man nodig heeft om het religieuze huwelijk te ontbinden terwijl de man dit weigert. Door deze opstelling van de man blijft de vrouw gevangen in een religieus huwelijk. De rechter kan dan een oordeel geven over deze huwelijkse gevangenschap.

De rechter kan de man veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de echtscheiding van het religieuze huwelijk eventueel met oplegging van een dwangsom. De grondslag van deze veroordeling is gelegen in een onrechtmatige daad.
Of er sprake is van een onrechtmatige daad hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij is van belang in welke mate de vrouw wordt beperkt in haar verdere levensmogelijkheden tegenover de bezwaren van de man tot medewerking van de echtscheiding van het religieuze huwelijk.

Voor de vrouw vormt het voortbestaan van het religieuze huwelijk vaak een beletsel in haar sociale omgeving om een nieuwe relatie aan te gaan of een nieuw religieus huwelijk te sluiten. Ook kan in andere landen het voortbestaan van het religieuze huwelijk rechtsgevolgen hebben waardoor de man bepaalde rechten kan opeisen over bijvoorbeeld de kinderen die hem in Nederland niet toekomen. Verder kan de vrouw worden vervolgd in het buitenland voor bijvoorbeeld bigamie of overspel als zij een nieuwe relatie aangaat terwijl zij nog een religieus huwelijk heeft. Ook kan het zo zijn dat de vrouw het land niet mag verlaten zonder toestemming van de man.

Bij de bezwaren van de man moet je denken aan dat de man niet wilt scheiden of dat hij hoopt op verzoening. Ook was een bezwaar bekend uit de rechtspraak dat de man onvoldoende werd betrokken bij de opvoeding van de kinderen. Verder stelde de man als bezwaar voorwaarden zoals dat de man de bruidsgift en de gouden sieraden wilde alvorens zijn medewerking te verlenen of dat de vrouw eerst moest meewerken aan de echtscheiding van het burgerlijke huwelijk. Al deze genoemde bezwaren waren echter onvoldoende en het belang van de vrouw woog zwaarder.

Uit de rechtspraak blijkt dat de rechter bij een huwelijkse gevangenschap bijna altijd oordeelt dat de man zijn medewerking moet verlenen aan de ontbinding van de religieuze echtscheiding en dat zijn bezwaren worden afgewezen. Hiermee geeft de rechtspraak een duidelijk signaal af, namelijk dat huwelijkse gevangenschap van de vrouw niet van deze tijd is en in strijd is met fundamentele vrijheden.


Gebruiksvergoeding voor gezamenlijke woning

Wanneer twee partijen samen een woning hebben gekocht en een van de twee woont niet meer in deze woning dan kan die partij onder omstandigheden aanspraak maken op een redelijke vergoeding voor het gebruik door de ander van de woning op basis van de wet. Dit wordt in de echtscheidingspraktijk “de gebruiksvergoeding” genoemd. Wanneer is dit aan de orde en wat is een redelijke vergoeding?

In een scheidingssituatie kunnen de emoties hoog oplopen zodat partijen niet langer meer samen in de gezamenlijke koopwoning kunnen blijven wonen. De ene partij verlaat vrijblijvend zijn of haar woning of wordt hiertoe gedwongen. De andere partij heeft vervolgens het uitsluitend of voortgezet gebruik en woongenot van de gezamenlijke woning. Als je discussie hebt over wie de woning moet verlaten, kan je deze vraag ook voorleggen aan de rechter. De rechter zal hierbij een belangenafweging maken.
Volgens de wet ben je gehouden door je mede eigendom om de helft van de woonlast te betalen ondanks dat je er wellicht niet woont. De gebruiksvergoeding is dus een soort van compensatie voor het feit dat je geen gebruik kan maken van de eigen woning terwijl jij ook mede eigenaar bent. Ook bij ex-samenwoners die samen een koopwoning hebben is een gebruiksvergoeding mogelijk volgens de wet. Vaak is er in een samenlevingscontract hier iets over opgenomen.
De gebruiksvergoeding kan zelfs worden toegewezen met terugwerkende kracht en kan ook zien op een ander goed dan een woning zoals bijvoorbeeld een boot.

Bij de beoordeling of er een gebruiksvergoeding wordt toegekend is de redelijkheid en billijkheid van belang. Dit houdt in dat ondanks de wettelijke mogelijkheid er omstandigheden kunnen zijn waardoor het toch niet redelijk en billijk is om een gebruiksvergoeding toe te kennen.
Berekening gebruiksvergoeding

De wet heeft niet voorzien in hoe de gebruiksvergoeding moet worden berekend. In de rechtspraak zie je verschillende methodes om dit te berekenen. De twee meest voorkomende berekeningen zijn:
1. het volledig voldoen van de woonlast door de gebruikende partij en
2. op basis van de overwaarde.
In praktijk zie je vaak dat de persoon die in de woning blijft ook de volledig woonlast voldoet dan wel dat deze woonlast wordt voldaan in de vorm van alimentatie. Dit wordt een soort van weggestreept tegen de gebruiksvergoeding. De persoon die dan niet het gebruik en genot heeft van de woning heeft dan geen tot zeer lage lasten van zijn of haar woning.
Bij de tweede berekening methode gaat het om schade die de niet gebruikende persoon leidt doordat die persoon zijn deel van de overwaarde niet kan gebruiken voor bijvoorbeeld het financieren van een nieuwe woning. In die situatie biedt de berekening op basis van het voldoen van de woonlast door de andere partij immers geen uitkomst. Er wordt een percentage genomen van de helft van de overwaarde van de woning om de andere partij te compenseren. Het percentage is door de jaren heen behoorlijk omlaag bijgesteld van 4% naar ongeveer 2,5%.

Of er een gebruiksvergoeding aan de orde is wordt per geval bekeken en is op voorhand niet eenduidig. Zou een gebruiksvergoeding voor u van toepassing kunnen zijn? Neem contact met ons op voor advies!


Project Advocaat voor de Klas

Dit keer geen juridisch inhoudelijke column zoals u van ons gewend bent, maar een belevenis die wij graag met u willen delen .
Op 7 december 2018 was het dan zover, Maaike Wetting en Lorien de Roode hebben een school in Leiderdorp bezocht voor het project “Advocaat voor de klas”. Dit is een project dat vanuit onze beroepsvereniging, de Orde van Advocaten, wordt aangeboden. Lorien had ons kantoor hiervoor opgegeven en verschillende scholen in Leiderdorp aangeschreven. Een jurist van de Junior Jurist Academie kwam les geven aan twee groepen acht en wij als advocaten waren hierbij als specialist, souffleur en natuurlijk een leuke vraagbaak voor de kinderen. De Junior Jurist Academie leert kinderen over recht en wet in Nederland aan de hand van een leuke workshop, een educatief tijdschrift, en een oefenrechtbank.

Op die vrijdagmiddag waren de kinderen gedurende twee uur bezig met het recht. Het besef dat recht overal om je heen is vanaf het moment dat je opstaat, was een eye opener voor de kinderen. Er kwamen hele slimme vragen en creatieve oplossingen vanuit de klas. Het opzoeken op internet van noodweer, noodweerexces en mishandeling was snel gepiept door de kinderen. Het is ontzettend leuk om te merken dat kinderen erg nieuwsgierig zijn en veel vragen hebben. De eenvoud en het doorvragen zetten mij weer aan het denken. (Wat is onze “grote mensen wereld” soms ingewikkeld!!) En er werd uiteraard kritisch gekeken naar het toneelstukje dat door ons en de jurist werd opgevoerd. “Is ze nu echt boos op hem?” “Gaat hij zijn zoon nu echt zo lang huisarrest geven?”

Door het drukke lesprogramma was er helaas niet veel tijd meer voor alle vragen aan ons, maar dat zullen we nog inhalen als we de oefenrechtbank gaan uitrollen. Dat zal begin januari volgend jaar zijn. Ondertussen gaan de kinderen in de klas aan de slag met een tijdschrift over het recht waarin allerlei vragen en opdrachten zijn verwerkt. Vervolgens krijgen zij een casuspositie welke zij gaan voorbereiden. Elke casus heeft verschillende actoren zoals de verdachte, de rechter, de officier van justitie, de getuige enzovoort. Er zullen teams gemaakt worden en de casus zal worden voorbereid. Wij zullen de verschillende spelers gaan begeleiden tijdens de oefenrechtbank. Misschien wel in een echte rechtbank! Uiteraard zal onze werkkleding, de toga, niet ontbreken voor de rechters, advocaten en officieren van justitie!

Tot nu toe hebben wij met veel plezier meegewerkt aan dit project. Wij zijn erg benieuwd hoe de kinderen de casus voor de oefenrechtbank zullen doen en kijken hiernaar uit.
Zo ziet u dat wij naast hard werken ook tijd maken om ons in te zetten voor uitdagende en maatschappelijke projecten. Dit maakt ons werk erg leuk en dynamisch.
Wij wensen u fijne dagen en een goed 2019 waarin bestaande conflicten zullen worden opgelost en nieuwe conflicten zoveel mogelijk worden voorkomen.


Opzettelijk verborgen houden goederen bij echtscheiding

Bij een echtscheiding dien je volgens de wet alles op te geven dat verdeeld dient te worden. Houd je bijvoorbeeld achter dat je nog een vakantiehuis elders hebt dan kan indien de andere ex-echtgenoot hier achter komt het gehele vakantiehuis aan die andere echtgenoot worden toegedeeld ook op een later moment.

Volgens de wet mag een echtgenoot bij een echtscheiding geen goederen opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden. Het gaat dan om handelen of nalaten met het doel de andere partij bewust te benadelen.
Omdat op dit handelen of nalaten de sanctie staat dat het goed dan volledig aan de andere partij toekomt (in plaats van bij helfte) worden er zware eisen gesteld aan het bewijs van opzet. Deze sanctie is redelijk uitzonderlijk in het burgerlijke recht omdat het een strafkarakter heeft. De andere partij moet wel weten dat het goed bij echtscheiding verdeeld moet worden. Aantonen dat er sprake is van opzet is een lastige opgave. Het enkele feit dat een echtgenoot niet wist maar wel behoorde te weten dat dat goed tot de echtscheiding behoorde maakt niet dat er opzet aanwezig is.

Op 12 april 2018 heeft het gerechtshof Den Bosch een uitspraak gedaan waarin wel is aangenomen dat er opzet aanwezig was en is de sanctie toegepast. De vrouw heeft in deze zaak het in contanten opgenomen bedrag achtergehouden om het bedrag bewust buiten de verdeling van de echtscheiding te houden.

De vrouw had tot een jaar voor de echtscheiding grote geldbedragen opgenomen van de spaarrekening. De vrouw heeft ook erkend dat zij meer geld heeft opgenomen dan normaal. Zij gaf hiervoor als verklaring dat het verdriet van een slecht huwelijk dat zijn einde nadert werd gecompenseerd met leuke uitstapjes en genieten. Zij heeft in korte tijd € 36.200,- (!) aan contanten opgenomen. Het is onmogelijk dat de vrouw al dit geld heeft uitgegeven. De man is er verder achter gekomen dat de vrouw vervolgens een kluisje is gaan huren bij de bank. De vrouw heeft dit erkend maar kon geen goede reden geven voor de huur van het kluisje. De vrouw heeft niet kunnen aantonen dat zij de opgenomen bedragen daadwerkelijk heeft uitgegeven zodat het hof heeft geconcludeerd dat dit geldbedrag nog aanwezig moet zijn. De vrouw dient het volledige bedrag van € 36.200,- aan de man te voldoen.

Dat er opzet wordt aangenomen en bovengenoemde sanctie wordt opgelegd is vrij uniek. Vaak gaat het om een “vergeten” goed en dient deze alsnog bij helfte te worden verdeeld en is deze niet in zijn geheel voor de andere ex-echtgenoot.
Mijn advies: neem geen risico en geef alles op wat er bij een echtscheiding aanwezig is. Doe bij twijfel navraag!


Toestemming voor verhuizing

Indien beide ouders gezag hebben over een kind dienen er veel zaken in overleg en met toestemming van beide ouders plaats te vinden omtrent het kind. Dit betreft bijvoorbeeld een vakantie in het buitenland, een medische ingreep, een schoolkeuze maar ook een verhuizing met het kind is een gezagskwestie. Deze toestemming van beide ouders voor een verhuizing van 1 ouder met het kind is verplicht. De verhuizing kan immers grote gevolgen hebben voor de contactregeling van het kind met de andere ouder.

Wanneer een ouder naar een ander deel in Nederland of naar het buitenland wilt verhuizen met het kind heeft dit vaak grote gevolgen voor de contactregeling met de andere ouder. Vaak is er een ouderschapsplan waarin de zorgregeling en afspraken over het kind overeen zijn gekomen. Deze afspraken moeten dan worden gewijzigd zeker als ouders gelijke zorg hebben over het kind. Meestal houdt dit in dat de andere ouder wordt beperkt in het contact met zijn kind. Deze ouder zal dus logischerwijs niet akkoord gaan met de verhuizing. In dit soort gevallen kan je vervangende toestemming vragen aan de rechtbank voor verhuizing met het kind.

De rechter zal bij de beoordeling van deze vervangende toestemming alle belangen van ouders en kind afwegen. Ondanks dat elk geval uniek is zijn er wel algemene factoren door de Hoge Raad (hoogste rechtsorgaan) opgesteld die in zo’n belangen afweging een rol spelen. Ik zal deze hieronder kort bespreken.

Van belang is of de verhuizing noodzakelijk is en de mate waarin deze verhuizing is doordacht en voorbereid. Ook de invloed op de verdeling van de zorgtaken en continuïteit van de zorg en in welke mate de ouders tot onderlinge communicatie en overleg in staat zijn speelt een rol.

De verhuizende ouder heeft recht en belang om te verhuizen en dient de vrijheid te hebben om zijn of haar leven opnieuw in te richten. Daartegen over staat het recht dat de andere ouder en het kind hebben op onverminderd contact met elkaar en hun vertrouwde omgeving. Zijn er alternatieven geboden om maatregelen van de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen te verzachten/compenseren? De leeftijd van de kinderen en hun mening maar ook de mate waarin zij geworteld zijn in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen is van belang. Tot slot wordt gekeken naar de extra kosten dan wel financiële consequenties van de omgang na verhuizing.

Beweegredenen van een ouder om te verhuizen zijn bijvoorbeeld werk, een nieuwe partner, teruggaan naar land van herkomst. Het gebeurt helaas ook dat de verhuizing al heeft plaatsgevonden en achteraf door de rechter de belangen moeten worden afgewogen. De ouder die deze verhuizing zonder toestemming van de andere ouder heeft doorgezet loopt het risico dat hij/zij weer terug moet verhuizen met alle consequenties van dien. Deze verhuisgeschillen hebben grote invloed op de verhoudingen tussen ouders wat weer hun weerslag heeft op het kind. In goed onderling overleg een verhuiskwestie regelen is voor alle partijen het beste.


Noot bij uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, kinderalimentatie, afwijken wettelijke maatstaven, overeenkomst.

Partijen zijn in een overeenkomst betreffende levensonderhoud bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Art. 1:401 lid 5 BW biedt dan geen uitkomst. De rechter zal voor een wijziging art. 1:159 lid 3 BW naar analogie toepassen. Uitleg en bedoeling van een overeenkomst is van belang. Een gewone wijziging op basis van art. 1:401 lid 1 BW biedt uiteindelijk uitkomst.

Jurisprudentie in Nederland (JIN) juni 2018, aflevering 5, 92


Terugbetaling kinderalimentatie

Indien een rechter oordeelt dat er teveel kinderalimentatie is betaald kan dit leiden tot terugbetaling van kinderalimentatie. Het verzoek tot terugbetaling van kinderalimentatie wordt niet vaak toegewezen omdat er vanuit wordt gegaan dat de kinderalimentatie al is geconsumeerd en ten goede is gekomen aan de kinderen.
Rechters maken terughoudend gebruik van een beslissing waarin kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt herzien. Hierdoor kan er namelijk terugbetaling aan de orde zijn wat grote gevolge kan hebben voor de alimentatieontvanger. Er wordt beoordeeld of terugbetaling in redelijkheid van de alimentatieontvanger verlangd kan worden. Indien de alimentatieontvanger hele lage inkomsten heeft wordt terugbetaling meestal niet toegewezen. Dit was anders in een opmerkelijke beschikking van het Gerechtshof Den Bosch van 18 januari 2018.

Zowel de man als de vrouw hebben een uitkering volgens de participatiewet. Als je op uitkeringsniveau leeft is er geen draagkracht voor betaling van kinderalimentatie. De man diende volgens de beschikking van de rechtbank in dit geval toch kinderalimentatie te betalen aan de vrouw voor hun twee kinderen. De vrouw heeft vervolgens via het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO) beslag laten leggen op de uitkering van de man en er werden al gelden geïnd. (Het LBIO is een deurwaarder maar dan specifiek voor onderhoudsbijdragen). De man heeft beroep ingesteld tegen deze beschikking van de rechtbank bij het gerechtshof Den Bosch.

Omdat de vrouw een uitkering ontvangt wordt de door de vrouw ontvangen kinderalimentatie in mindering gebracht op haar uitkering. Hierdoor is deze kinderalimentatie niet (extra) aan de kinderen ten goede gekomen. Indien de vrouw kinderalimentatie moet terugbetalen betekent dit dat zij over die periode een te lage uitkering heeft ontvangen. De gemeente dient over te gaan tot aanvulling van de uitkering van de vrouw.
Bij de man is de kinderalimentatie in mindering gebracht op zijn uitkering terwijl hij hiervoor geen draagkracht had en heeft.
Het hof heeft geoordeeld dat de teveel betaalde kinderalimentatie door de vrouw moet worden terugbetaald aan de man.

De rechtbank had in deze überhaupt niet mogen overgaan tot het opleggen van kinderalimentatie aan de man aangezien hij een uitkering ontving en nog steeds ontvangt. In die zin is het terecht dat de betaalde kinderalimentatie terug moet worden betaald aan de man. De man kon hier immers niet voor gecompenseerd worden en leefde hierdoor onder het bestaansminimum.

De vrouw daarentegen kan de gemeente verzoeken om aanvulling van haar uitkering over deze periode en kan dus wel compensatie krijgen. Het is dus heen en weer schuiven van gemeenschapsgelden. Zolang deze (foutieve)beschikking van de rechtbank bestaat houdt de gemeente het vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie in op de uitkering van de vrouw, ook indien de man dit niet vrijwillig betaald aan de vrouw. De vrouw werd dus gedwongen om via het LBIO de kinderalimentatie te innen waardoor de man werd gedwongen in beroep te gaan. Een rare situatie als je het mij vraagt!