Ontslag op staande voet na handelen vermoeden misstand

Voor deze zaak gaan we naar een zorgcentrum in Limburg. Verzoeker was hier werknemer en is op staande voet ontslagen naar aanleiding van het meermaals raadplegen van een patiëntendossier van een bewoonster aan wie hij geen zorg meer verleende en het doorsturen van die gegevens naar zijn privé-mail. Het raadplegen van patiëntdossiers waar men als zorgmedewerker niet (meer) betrokken in is, is uitdrukkelijk verboden in de Gedragscode Integriteit van de zorginstelling. Maar in de zaak speelde weldegelijk meer.
De ontslagen werknemer had namelijk een vermoeden van een misstand gemeld als klokkenluider bij het ministerie. De werknemer beriep zich dan ook op de Wet bescherming klokkenluiders (hierna: Wbk). Deze wet biedt werknemers die een (vermoedelijk) misstand hebben gemeld bescherming tegen onder andere ontslag. Als eerste moest de kantonrechter dan ook oordelen of er sprake was van een misstand, zoals gedefinieerd in de Wbk.

 

Misstand


De kantonrechter bevestigde in zijn oordeel als eerste dat een vermoeden van een misstand voldoende is om een beroep op de beschermingsbepalingen uit de Wbk te kunnen doen. De misstand hoeft dan ook nog niet bewezen te zijn. Daarbij geldt echter wel dat het vermoeden moet zien op een situatie die onder de definitie van een misstand zou kunnen vallen.
In de Wbk is een misstand omschreven als; “wanneer het maatschappelijk belang in ieder geval het geding is indien de handeling of nalatigheid niet enkel persoonlijke belangen raakt en er sprake is van oftewel een patroon of structureel karakter dan wel handeling of nalatigheid ernstig of omvangrijk is.” (artikel 1 Wbk). De vraag was of er sprake was van een maatschappelijk belang dat in het geding was.
De kantonrechter baseerde zijn oordeel over deze rechtsvraag op de parlementaire geschiedenis. In de Tweede Kamer is er in 2022 over het begrip misstand, zoals genoemd in de Wbk, uitgeweid. Er is volgende de Kamer sprake van een misstand indien “(...) niet enkel persoonlijke belangen geraakt zijn en dus boven een persoonlijk conflict moet uitstijgen, dat wil zeggen dat de aard en omvang van de kwesties of conflicten meer moet zijn dan een optelsom van individuele belangen van personen. Daarnaast dient er bij de handeling of nalatigheid sprake te zijn van een patroon of structureel karakter of dient de handeling of nalatigheid ernstig of omvangrijk te zijn.” Het moet dus gaan om een misstand die niet ziet op individuele kwesties of persoonlijke conflicten. Daarnaast is vereist dat er sprake is van een patroon of structureel karakter, of een zodanig ernstige of omvangrijke misstand dat daardoor het algemeen belang wordt geraakt.

 

Behandelplan een misstand?


Het vermoeden van de misstand die de werknemer had gemeld zat op de ingezette behandeling van de bewoonster. Dit behandelbeleid was tot stand gekomen na uitgebreid overleg tussen familieleden van de bewoonster en haar behandelend team. De werknemer kon zich, na gesprekken met de bewoonster en familieleden, in dit beleid niet verenigen. De bewoonster zelf had zich meermaals wisselend uitgelaten over haar wensen rondom dit behandelbeleid, waardoor het behandelbeleid een lastige morele kwestie was geworden. De werknemer had dan ook na het besluit te stoppen met het geven van eten en drinken aan de bewoonster, via e-mail duidelijk gemaakt aan de werkgever zich niet te kunnen vinden in dit beleid, en wegens gewetensbezwaren afstand te willen doen van de zorg rondom de patiënt. De (ex-)werknemer heeft hierna een klacht ingediend bij het ministerie.

 

Was dit een misstand?


Volgens de kantonrechter was dit een individuele casus en mede daarom geen misstand als bedoeld in de Wbk, maar ook inhoudelijk vond de rechter dat hier geen misstand was: “In dit geval blijkt nergens dat de keuze van de behandelende arts onbegrijpelijk of onverdedigbaar zou zijn. Gelet hierop is geen sprake van een situatie die op enigerlei wijze onder de noemer van ‘misstand’ zou kunnen vallen, en dus ook geen sprake zijn van een vermoeden van een dergelijke misstand.” Werknemer kon dus geen bescherming ontlenen aan de Wbk.

 

Inzien patiëntendossier


Werknemer had zich gedistantieerd van de zorg van de bewoonster via een e-mailbericht. In de e-mail stond dat de werknemer niet meer in de zorg van de bewoonster betrokken wilde zijn, in welke vorm dan ook. Volgens de kantonrechter had de werknemer daarom geen legitieme reden meer om het patiëntendossier nog in te zien. Hij heeft hiermee in strijd gehandeld met de geldende richtlijnen en protocollen die binnen de zorginstelling gelden. Daarbij komt dat de werknemer, door het patiëntdossier naar zijn privé e-mailadres te sturen, het gevaar gecreëerd had dat ook derden toegang zouden krijgen tot dit dossier. Werknemer had moeten weten dat de vertrouwelijkheid van de dossiers van hoog belang was, zeker omdat hij al bijna zes jaar in dienst was. Daarbij was van belang dat het dossier niet één keer, maar diverse keren is geraadpleegd. Als de werknemer de mogelijkheid had willen behouden om het patiëntdossier nog in te zien om te kijken of er naar aanleiding van zijn bezwaren veranderingen waren, had hij dat in het e-mailbericht duidelijk kenbaar moeten maken. Dit was niet door de werknemer gedaan, waardoor er een dwingende reden bestond om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het ontslag op staande voet bleef in stand.

 

 

ECLI:NL:RBLIM:2024:711


Zijn ouders de sleutel tot het aanpakken van jeugdcriminaliteit in Nederland?

Onze juridisch medewerker Fleur Hartman schreef haar scriptie over de risicoaansprakelijkheid van ouders voor minderjarige kinderen.

Huidige kader

De mate van jeugdcriminaliteit in Nederland heeft de wetgever ertoe aangezet om ouders meer aan te spreken op het schadeveroorzakende gedrag van hun minderjarige kinderen. In 2021 is een rapport gepubliceerd waarin de juridische mogelijkheden hieromtrent zijn onderzocht. Eén van deze mogelijkheden betreft een verruiming van de huidige kwalitatieve aansprakelijkheid van ouders ten aanzien van onrechtmatige gedragingen van hun minderjarige kinderen. Dit voorstel is voorgelegd aan de Tweede Kamer. In 2009 is al eerder een wetsvoorstel ingediend dat beoogde de huidige aansprakelijkheid van ouders voor hun minderjarige kinderen uit te breiden. Op dit moment zijn ouders op grond van de wet risicoaansprakelijk (onvoorwaardelijk aansprakelijk) voor hun kinderen tot veertien jaar.  Daarnaast geldt een schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast voor ouders van kinderen in de leeftijd van veertien en vijftien jaar. Dat betekent dat de ouders niet aansprakelijk zijn, indien zij bewijzen dat hen geen verwijt te maken is. Uit de rechtspraak volgt dat dit redelijk snel wordt aangenomen, waardoor ouders relatief gemakkelijk onder hun aansprakelijkheid uit kunnen komen. Zodra het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, zijn de ouders niet langer aansprakelijk te houden voor hun kinderen.

Voorstel

Het voorstel van 2021 beoogt de huidige risicoaansprakelijkheid van ouders voor hun minderjarige kinderen tot veertien jaar te verruimen naar kinderen tot zestien jaar. Ouders worden dan dus onvoorwaardelijk aansprakelijk voor de schadeveroorzakende gedragingen van hun kinderen die de leeftijd van zestien jaar nog niet hebben bereikt. Daarnaast wordt een schuldaansprakelijkheid voorgesteld ten aanzien van kinderen in de leeftijd van zestien of zeventien jaar. Het primaire doel van dit voorstel is het creëren van een financiële prikkel voor de ouders om geweldpleging door het kind (jeugdcriminaliteit) te voorkomen, omdat ouders het dan in hun eigen portemonnee voelen. Ook het vergroten van de verhaalbaarheid van schade aan de zijde van de benadeelde wordt als doelstelling genoemd. Het kind zelf biedt vaak niet genoeg verhaal om de schade te vergoeden. Schadebedragen kunnen echter al snel hoog oplopen, waardoor ook ouders vaak niet over voldoende middelen beschikken om de (gehele) schade te vergoeden. Het is daarom van belang dat verzekeraars bereid zijn de verruimde risicoaansprakelijkheid mee te verzekeren, om daadwerkelijk de verhaalbaarheid te vergroten. Ten aanzien van het terugdringen van de jeugdcriminaliteit kan de vraag worden gesteld in hoeverre een verruiming van de kwalitatieve aansprakelijkheid effect zal hebben op de mate van jeugdcriminaliteit. De financiële prikkel is immers in feite alleen bedoeld voor de ouder die niet bereid is om het strafbare gedrag van zijn minderjarige kind te voorkomen. Bovendien is het de vraag in hoeverre het realistisch is om te denken dat ouders hun kinderen op die leeftijd nog kunnen weerhouden van bepaald (strafbaar) gedrag.

De toekomst?

Het eerdere wetsvoorstel is in 2015 afgewezen, maar met deze nieuwe sporen in de parlementaire geschiedenis is de discussie heropend. Bovendien wordt in de literatuur al gedurende lange tijd discussie gevoerd over de gewenste invulling van de kwalitatieve aansprakelijkheid van ouders. Dit advies aan de Tweede Kamer heeft tot op heden nog niet geleid tot een officieel wetsvoorstel, maar wij gaan ervan uit dat hier het laatste woord nog niet over is gezegd.