Wetsvoorstel oordeel bedrijfsarts leidend WIA internetconsultatie
Het wetsvoorstel tot wijziging van de toets op re-integratie-inspanningen en de WIA-voorschotregeling is gepubliceerd voor internetconsultatie. Het wetsvoorstel beoogt twee belangrijke veranderingen te maken in de aanvraagprocedure voor een WIA-uitkering, wij zullen hierbij een kort overzicht geven van deze voorstellen:
Verzekeringsarts van UWV
Als te verwachten is dat een werknemer twee jaar na ziekmelding nog ziek is, kunnen werkgever en werknemer een aanvraag voor een WIA-uitkering doen. De werkgever moet hierbij een re-integratieverslag indienen waarin werkgever en werknemer aan het UWV laten zien dat zij zich aan de inspanningsplichten uit de Wet verbetering poortwachter hebben gehouden. Momenteel beoordeelt het UWV zo’n re-integratieverslag niet alleen aan de hand van dit verslag en de adviezen daarin van de bedrijfsarts, maar kan zij ook gebruikmaken van haar eigen verzekeringsarts. Omdat diens oordeel zwaar weegt in het totaaloordeel van het UWV, kan een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts tot een loonsanctie voor de werkgever leiden.
Dat een verzekeringsarts achteraf anders dan de bedrijfsarts kan oordelen over een re-integratietraject leidt dus geregeld tot onzekerheid bij de werkgever. De belangrijkste reden voor dit wetsvoorstel is dan ook om de onzekerheid weg te nemen bij een werkgever door het advies van de bedrijfsarts voortaan leidend te laten zijn. Daarnaast heeft het wetsvoorstel tot doel de achterstanden bij het UWV te verminderen. Het zal daarom van toepassing zijn op alle ziekmeldingen die plaatsvinden vanaf 1 januari 2028, evenals op de ziekmeldingen die op dat moment nog lopen. Dit zal uiteindelijk tot gevolg hebben dat er geen centrale toetsing meer is van de adviezen van de bedrijfsartsen bij de WIA-aanvraag en de werknemer dus tussentijds kritischer zal moeten zijn. De mogelijkheid van een deskundigenoordeel bij het UWV blijft voor de werkgever en de werknemer wel bestaan.
WIA-voorschotten
Momenteel is het zo dat door de lange wachttijden bij de WIA-claimbeoordeling mensen een voorschot ontvangen op hun WIA-uitkering. Als een WIA-uitkering niet wordt uitgekeerd, wordt dit voorschot kwijtgescholden om zo te voorkomen dat burgers in financiële problemen komen. Er is echter nog geen wettelijke grondslag voor dit huidige terugvorder beleid. In het nieuwe voorstel worden WIA-voorschotten altijd betaald uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds. De burger merkt weinig van dit verschil, zij hoeft haar voorschot nog steeds niet terug te betalen als blijkt dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Tot slot zijn werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor de WIA met de voorgestelde wijziging niet langer meer eigenrisicodrager voor de voorschotbetaling. Voorschotten kunnen niet meer op hen worden verhaald indien zij onterecht zijn verstrekt aan hun (ex-)werknemers.
Het wetsvoorstel is tot en met 17 november voor consultatie beschikbaar op rijksoverheid.nl.
Maaike Wetting
Karlijn van de Arend
Huwelijk voor en na 2018 met verschillende gevolgen
Ik merk in de praktijk dat veel mensen niet scherp hebben dat een huwelijk vóór 2018 en ná 2018 verschillende gevolgen met zich brengt bij scheiding dan wel als mensen willen gaan trouwen. In deze column zal ik kort de verschillen bespreken.
Vanaf 2018 is de wet aangepast qua huwelijkse gemeenschap. Indien je vóór 2018 bent gehuwd (dan wel een geregistreerd partnerschap bent aangegaan) zonder huwelijkse voorwaarden, vallen alle goederen, schulden, bedrijven, spaargelden enzovoort die je vóór het huwelijk had in de gemeenschap wat inhoudt dat deze spullen voor de helft van beide echtgenoten zijn op het moment dat ze waren getrouwd. Een schuld bijvoorbeeld die een echtgenoot vóór het huwelijk was aangegaan is in de gemeenschap gevallen en beiden echtgenoten zijn hiervoor verantwoordelijk.
Indien je ná 2018 bent gehuwd of gaat trouwen, zonder huwelijkse voorwaarden, vallen juist alle goederen, schulden, spaargelden, bedrijven enzovoort, die er vóór het huwelijk waren, niet in de gemeenschap. Enkel de goederen die tijdens het huwelijk ontstaan, zijn voor de helft van beide echtgenoten. Een huis waarvan een echtgenoot eigenaar was voor het huwelijk, blijft dan van die echtgenoot en wordt niet voor de helft van de andere echtgenoot volgens de wet. We spreken daarom van een beperkte gemeenschap.
Dit is een grote verandering met huwelijken van vóór 2018. De bedoeling van de wetgever is onder andere geweest dat echtgenoten dus niet worden verrast met schulden of verrijkt met vermogen van de andere echtgenoot voor het huwelijk . De wetgever heeft echter minder goed nagedacht over de verdere uitwerking hiervan. Deze uitwerking vindt nu plaats in de rechtspraak. Het zou bijvoorbeeld fijn zijn als er vooraf aan het huwelijk een staat van aanbrengsten wordt opgesteld zodat duidelijk is wat er voor het huwelijk aanwezig was. Nu is hier vaak discussie over maar over bijvoorbeeld 20 jaar wordt het nog lastiger om aan te tonen wat er voor het huwelijk al aanwezig was en tijdens het huwelijk is aangegroeid.
Vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact met ons op 071-203 2166 of vul het contactformulier in.
Ook verschenen als column.
Door woningnood beleid nodig voor ernstige gevolgen bij echtscheidingen
Woningnood
Zoals algemeen bekend is, is er woningnood in Nederland. Vooral mensen in een situatie van een echtscheiding of verbreking relatie met kinderen hebben hier mee te maken. Zij moeten van 1 huis naar twee huizen.
Gezien deze woningnood moeten echtgenoten/ouders langere tijd noodgedwongen nog “samen” wonen in dezelfde echtelijke koopwoning of huurwoning met de kinderen. Er worden verschillende procedures gevoerd over wie er in de woning mag blijven bij de rechtbank totdat de woning is verdeeld dan wel totdat er een andere woning beschikbaar is. Dit kan jaren duren en is een zeer onwenselijke situatie met alle gevolgen van dien.
Gevangen in één huis
In de situatie van cliente ging het om een pand met 3 aparte, afsluitbare ruimtes. De rechter heeft geoordeeld dat cliente en haar ex-man in dezelfde woning diende te blijven waarbij cliente de bovenste etage met de twee kinderen bewoonde en de ex man de middelste etage. De begane grond was bedrijfsruimte van de man. Dit is geen ideale situatie maar bedoelt als een tijdelijke oplossing. Deze tijdelijke oplossing werd helaas een kwestie van jaren door de woningnood in Nederland. Daarbij was het voor cliente en de kinderen een zware tijd waarbij vaak politie aan de deur was omdat met name de man de vrouw en kinderen treiterde met onder andere geluidsoverlast. De kinderen ondervonden hier veel stress van en hadden hulp van maatschappelijk werk. Partijen zaten dus gevangen in hun eigen huis.
Bovenstaande schrijnende situatie heeft ruim 2 jaar geduurd.
Fiscaal partners
Het feit dat ex partners gevangen zitten in één huis heeft ook grote financiële gevolgen door de huidige rigide wetgeving. Ex-partners worden immers voor de wet aangemerkt als fiscaal partners en hun inkomens worden samen genomen voor de beoordeling van toeslagen. Het gaat dan met name om zorgtoeslag en kindgebonden budget.
Cliente had hierdoor vaak geen, dan wel op een veel lager bedrag recht en dit werd ook nog vele malen tussentijds tot de definitieve vaststelling aangepast waardoor er sprake was van een terugvordering van duizenden euro’s. Hier komt veel stress bij kijken. Cliente heeft hierdoor schulden opgebouwd en diende zoveel mogelijk te werken naast de zorg voor haar twee dochters waardoor zij fysieke en psychische klachten heeft ontwikkeld. Dit alles terwijl het Kind gebonden budget bedoeld is voor alleenstaande ouders om hen te ondersteunen in de opvoeding van de kinderen. Cliente werd echter niet als alleenstaande ouder aangemerkt.
Dit alles terwijl zij en haar ex-man officieel gescheiden zijn, apart wonen noodgedwongen in dezelfde woning met afsluitbare ruimtes en dit ook door een rechter is vastgesteld en er zelfs alimentatie wordt voldaan. Het gaat om aanzienlijke bedragen (ruim € 8000,- voor cliente) die voor de kinderen bedoeld zijn welke cliente niet heeft ontvangen. Oftewel de wet benadeelt hierin het kind. Dit is strijdig met alle verdragen inzake de rechten van een kind.
Rigide wetgeving
De wet biedt geen mogelijkheden om af te wijken en is dwingen rechterlijk van aard. Daarom is het noodzakelijk dat een beroep op de hardheidsclausule mogelijk is dan wel dat er beleid wordt gemaakt door de minister voor deze situaties. Zeker omdat het een groot maatschappelijk probleem is waar veel mensen tegen aanlopen en ik als advocaat, mijn cliente maar ook de rechterlijke macht en de belastingdienst zelf dit allemaal signaleren. Ik heb daarom de minister aangeschreven om met spoed beleid te maken voor dit maatschappelijke probleem. Gezien het demissionaire kabinet zal antwoord op mijn brief helaas geen prioriteit hebben ben ik bang. Maar ja, niet geschoten is altijd mis toch?
Nieuwe wet maakt gecombineerde achternaam voor kind mogelijk
Op 1 januari 2024 treedt de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnamen in werking. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk dat kinderen de achternamen van beide ouders kunnen dragen. Het wetsvoorstel komt hiermee tegemoet aan de wens vanuit de samenleving naar meer keuzevrijheid in het naamrecht.
Dubbele achternaam
De keuze ligt bij de ouders. Wanneer de ouders kiezen voor een combinatie van hun achternamen, dan is het aan hen in welke volgorde deze achternamen komen te staan. De dubbele achternaam kan uit maximaal twee namen bestaan en wordt zonder koppelteken geschreven, dus bijvoorbeeld: Derksen de Boer. Wanneer één van de ouders een dubbele achternaam heeft, bijvoorbeeld Jansen de Vries, kan één van deze achternamen worden meegenomen in de gecombineerde achternaam van het kind. De achternaam van het kind mag immers uit maximaal twee namen bestaan. Bij het kind van de heer Jansen de Vries en mevrouw Veenstra zijn dus bijvoorbeeld de volgende combinaties in achternamen mogelijk: Jansen de Vries, Veenstra, Jansen Veenstra en de Vries Veenstra.
Adoptiekinderen
In dit kader is er bij adoptiekinderen nog een extra mogelijkheid. Dan bestaat namelijk de mogelijkheid om in de combinatie van achternamen hun oorspronkelijke geslachtsnaam op te nemen. Ook hier geldt wel het maximum van twee namen in totaal.
Geen keuze
Indien ouders geen keuze maken met betrekking tot de naam van hun kind krijgt het kind gewoon de achternaam van de vader of duomoeder in het geval van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Indien er geen sprake is van een huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap krijgt het kind de achternaam van de geboortemoeder.
Overgangsregeling
Het wetsvoorstel voorziet ook in een overgangsregeling die ouders de mogelijkheid geeft om binnen één jaar na inwerkingtreding, dus na 1 januari 2024, hun kinderen die op of na 1 januari 2016 zijn geboren alsnog een dubbele achternaam te geven.
Naar ons idee is dit een goede ontwikkeling, omdat het bijdraagt aan de gelijkheid tussen man en vrouw. Heeft u vragen over de mogelijkheden met betrekking tot een naamswijziging, neem dan gerust contact met ons op.
Uitzendbeding bij ziekte alleen geldig bij beëindiging inlener
Feiten en procesverloop
In 2016 overkwam de uitzendkracht een arbeidsongeval met de machine waaraan hij werkt, waarna hij zich ziekmeldde.
Door de ziekmelding van de uitzendkracht was de arbeidsovereenkomst automatisch geëindigd op grond van een bepaling uit de NBBU-cao en ontving de uitzendkracht geen loon meer. De uitzendkracht was het hier niet mee eens en stelde bij de kantonrechter dat hij nog steeds in dienst was bij het uitzendbureau en aanspraak had op zijn salaris tijdens ziekte. De werknemer haalt bakzeil bij de kantonrechter en is in hoger beroep gegaan.
In tegenstelling tot de kantonrechter wees het gerechtshof de loonvordering toe, omdat de bepaling uit de cao in strijd zou zijn met het opzegverbod tijdens ziekte van artikel 7:670 BW. Tegen deze uitspraak is de werkgever in cassatie gegaan bij de Hoge Raad (HR:2023:426).
Cao bepaling en uitzendbeding
In artikel 13 van de NBBU-cao staat onder meer dat als een uitzendkracht zich ziekmeldt, de arbeidsovereenkomst wordt geacht per direct door de inlener te zijn beëindigd. Ook staat in dezelfde bepaling dat de uitzendovereenkomst tot een einde komt “doordat de uitzendkracht om welke reden dan ook, daaronder begrepen arbeidsongeschiktheid, de bedongen arbeid niet langer (..) kan verrichten.” Deze zinsneden vloeien voort uit het zogenoemde uitzendbeding en beperkt de arbeidsrechtelijke bescherming van uitzendkrachten. De periode waarin het uitzendbeding geldt, is vergelijkbaar met de proeftijd waarin de werknemer en werkgever de arbeidsovereenkomst per direct (zonder opzegtermijn) kunnen opzeggen in een uitzendconstructie. In de uitzendcao’s van NBBU en ABU zijn de termijnen van het uitzendbeding opgerekt van 26 weken naar 52 weken.
Oordeel Hoge Raad
Bij de Hoge Raad stond de vraag centraal of een dergelijk uitzendbeding bij ziekte geldig is en niet in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte. De Hoge Raad overwoog dat, gelet op het specifieke karakter van de uitzendrelatie waarbij partijen alleen en voor zover nodig gebruik maken van elkaars diensten, het mogelijk is om een uitzendbeding op te nemen. Ook als de uitzendkracht ziek wordt. Het uitzendbeding bij ziekte is volgens de Hoge Raad dus niet in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte. De wetgever zou bewust de mogelijkheid in de wet hebben vastgelegd om een uitzendbeding op te nemen bij ziekte. Bovendien is er in die situatie ook geen sprake van opzegging door de uitzendonderneming van een beëindiging van de uitzendovereenkomst als gevolg van het verzoek daartoe van de inlener.
Wel is volgens de Hoge Raad vereist dat de inlener daadwerkelijk een verzoek tot beëindiging van de terbeschikkingstelling doet. In de huidige cao bepaling staat dat bij ziekmelding van de uitzendkracht wordt geacht dat de inlener een beëindigingsverzoek doet. Een fictief verzoek van de inlener is niet voldoende waarmee deze constructie niet geldig is.
Hoe verder?
De vertegenwoordigers van de uitzendbranche en de cao partijen ABU en NBBU hebben in een reactie aangegeven samen de inhoud van de uitspraak te bestuderen. NBBU gaf verder aan dat het vermoeden tot beëindiging vanuit de inlener bij ziekte van de uitzendkracht niet in de nieuwe cao, die per 1 juli 2023 in zal gaan, is opgenomen.
Al met al blijft het uitzendbeding bij ziekte dus behouden vanwege het specifieke karakter van de uitzendrelatie, maar zal een expliciete opdracht/verzoek van de inlener nodig zijn. Kloppen uw contracten nog? Wordt er alleen verwezen naar een uitzend cao of het uitzendbeding? Heeft u ook zo’n fictieve beëindiging staan? Zijn de afspraken met de inlenende of uitlenende partij duidelijk op dit punt? Neem contact met ons op als u vragen heeft.
Informatiekrant zorg en ondersteuning Leiderdorp

Vorige week kwam de Zorgkrant Leiderdorp uit en lag deze bij veel Leiderdorpers op de deurmat.
In de krant komen diverse onderwerpen zoals bespaartips, hulp bij huisvesting en het werk van een buurtcoach aan bod. Wij mochten een artikel schrijven over scheiden en hoe dit op een prettige manier geregeld kan worden met behulp van een advocaat of mediator.
Via de link kan je door de digitale versie van de krant bladeren!
https://www.themanieuws.nl/app/publication/SDLEI221/
19 juli, 2022
Ongehuwde vaders, opgelet!
In een eerder artikel schreef ik al dat een (meerderjarige) moeder automatisch het gezag heeft over haar kind en dat ouders gezag nodig hebben om belangrijke beslissingen te nemen over hun kind of als zij met hun kind naar het buitenland willen reizen. Als de moeder tijdens de geboorte getrouwd is, krijgt de vader ook automatisch het gezag. Dit ligt anders als de moeder niet getrouwd is met de vader. Moeder heeft dan op basis van de wet alleen het gezag. Hiermee staat de ongehuwde vader dus al op 1-0 achterstand.
Doordat de vader zijn kind erkent bij de gemeente, heeft hij nog geen gezag over zijn kind. Hiervoor moeten de ouders samen een verzoek indienen bij de rechtbank. De moeder moet voor de erkenning en het verkrijgen van het gezag toestemming geven aan de vader. Anders moet de vader in een procedure de rechtbank om vervangende toestemming vragen. Vaak komt het ontbreken van het gezag van vader pas aan het licht als er problemen zijn ontstaan zoals het overlijden van de moeder of het beëindigen van de relatie. Vaak zijn ouders het vergeten te regelen en wordt het een strijdpunt helaas.
Om de positie van de vader te verbeteren, is in 2016 een wetsvoorstel ingediend. Het voorstel houdt in dat de vader bij de erkenning van het kind automatisch ook het gezag krijgt. Het uitgangspunt wordt dat de ouders gezamenlijk gezag hebben met ruimte voor uitzonderingen. De wet zal het onderscheid tussen de ongehuwde en gehuwde vader wegnemen en zal beter aansluiten bij de veranderde samenleving waarin steeds minder ouders trouwen en waarbij gelijkwaardig ouderschap centraal staat.
Op 22 maart 2022 heeft de Eerste Kamer met het wetsvoorstel ingestemd. Het is dus slechts een kwestie van tijd voordat het wetsvoorstel in werking treedt.
Heeft u vragen over erkenning of gezag? Neem dan contact op met ons kantoor.
Verhoging kosten eigen bijdrage gesubsidieerde rechtsbijstand en griffierechten van procedures
Voor de gesubsidieerde rechtsbijstand gelden nieuwe inkomens- en vermogensgrenzen voor 2022. De aanvraag van de toevoeging zal in beginsel worden beoordeeld op basis van het inkomen en vermogen van het peiljaar 2020. Ook is de eigen bijdrage, afhankelijk van de inkomensgrenzen, verhoogd. Als het jaarinkomen van een alleenstaande boven de € 29.400 uitkomt, komt de aanvrager niet in aanmerking voor een toevoeging. Gehuwden, samenwonenden of eenoudergezinnen mogen maximaal € 41.600 verdienen om in aanmerking te komen voor de toevoeging. Met een diagnosedocument van het juridisch loket wordt in 2022 nog steeds een korting gegeven van € 58 op de eigen bijdrage. De specifieke eigen bijdrage bij verschillende inkomensgrenzen is te vinden op https://www.rvr.org/@7797/inkomen-vermogen-eigen-bijdrage-2022/
De kosten voor het griffierecht voor civiele zaken bij de rechtbank zijn voor onvermogenden in 2022 € 86, ongeacht de hoogte van het verzoek of de vordering. Voor overige natuurlijke personen hangt de hoogte van het griffierecht af van de vordering of het verzoek. Het griffierecht bij het gerechtshof voor civiele zaken bedraagt voor onvermogenden € 343 voor 2022. Voor overige natuurlijke personen is dit wederom afhankelijk van de vordering of het verzoek. De specifieke bedragen zijn te vinden op https://www.rechtspraak.nl/Naar-de-rechter/Kosten-rechtszaak/Griffierecht/paginas/griffierecht-civiel.aspx en https://www.rechtspraak.nl/Naar-de-rechter/Kosten-rechtszaak/Griffierecht/paginas/griffierecht-gerechtshof.aspx
Wettelijke indexering alimentatie
Ieder jaar wordt een nieuwe indexering van de alimentatie vastgesteld. Per 1 januari 2022 zal de alimentatie worden verhoogd met 1,9%. De wettelijke indexering kan bij een overeenkomst of een gerechtelijke uitspraak met betrekking tot het levensonderhoud zijn uitgesloten.
Ontvangt u alimentatie en is de indexering niet uitgesloten? Houd dan in de gaten of per 1 januari 2022 uw alimentatie is verhoogd.
Betaalt u alimentatie en is de indexering niet uitgesloten? Dan moet u per 1 januari 2022 de alimentatie met 1,9% verhogen.
Onderhoudsplicht van de stiefouder
Het huidige wettelijk kader voor kinderalimentatie is achterhaald. In dit kader wordt nog uitgegaan van de oude rolverdeling: de ene ouder werkt en de andere ouder zorgt. Ook samengestelde gezinnen vinden nog geen goede plek in het stelsel. Al in 2015 is een wetsvoorstel ingediend om dit kader te wijzigen, maar tot op heden is deze niet in werking getreden. Als het wetsvoorstel in werking treedt, kan de stiefouder niet meer worden verplicht om te voorzien in het levensonderhoud van het kind van zijn of haar echtgenoot/echtgenote of geregistreerd partner.
Op grond van artikel 1:395 BW is de stiefouder gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap verplicht een bijdrage voor levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn of haar gezin behorende kind(eren) van de echtgenoot/echtgenote of geregistreerd partner. De hoogte van de bijdrage van de stiefouder wordt berekend aan de hand van de behoefte van het kind en de draagkracht van degene(n) met de onderhoudsplicht. Indien meerdere bloed- of aanverwanten verplicht zijn in de levensonderhoud van het kind te voorzien, is ieder van hen gehouden om in een deel van de behoefte van het kind te voorzien.
Dit alles betekent echter niet dat in elk geval de stiefouder verplicht is aan het levensonderhoud van het kind bij te dragen. De bijdrage kan door de rechter worden verminderd of zelfs uitgesloten.
De rechtbank Overijsel oordeelde in 2017 dat de stiefouder niet verplicht was om te voorzien in het levensonderhoud van het kind. De biologische ouders hadden voldoende draagkracht om te voorzien in de behoeften van het kind. Bovendien hadden de stiefouder en de biologische ouder samen ook weer kinderen gekregen en een nieuw gezin gevormd. Een onderhoudsplicht van de stiefouder zou dan bij het gezin extra zwaar vallen.
Ook het Hof Amsterdam oordeelde in 2017 dat de stiefouder niet verplicht was om te voorzien in het levensonderhoud van het kind. De band tussen de biologische ouder en het kind was veel nauwer dan de band die het kind en de stiefouder hadden. De ouder en het kind hadden bijvoorbeeld nog regelmatig contact. De stiefouder was ook pas op een latere leeftijd van het kind in het leven van het kind gekomen. Bovendien vervulde de stiefouder geen echte ‘ouder’ rol.
Al met al staat ons een verandering te wachten met betrekking tot de onderhoudsplicht van stiefouders. Tot de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is het raadzaam om goede afspraken te maken over eventuele nieuwe partners bij de scheiding dan wel juridisch advies in te winnen.




